Competie en strijd
Of je nu kijkt op het militaire slagveld, zakelijke of politieke, er is sprake van enerzijds competitie en strijd. Competitie behelst het meedoen in het verkiezing circus. Selecteren en inschrijven van kandidaten en de bekende verkiezing tour doen. Debatten, folderen. ‘Strijd’ is echter een andere. Ook al kent Nederland een meerpartijenstelsel, niet alle partijen voeren werkelijk strijd met elkaar.
Als ik aan een marathon deelneem met de beste lopers, doe ik wel mee aan de competitie maar van enige strijd zal geen sprake zijn. Tegen de tijd dat ik over de finish kom, zijn de toplopers allang weer thuis.
In de politiek kan een soortgelijke strijd worden onderkend. CDA en PVDA voeren tegen elkaar een strijd om het centrum van de macht, waar een partij als de PVDD feitelijk geen rol speelt. De PVDD doet wel mee aan de competitie, maar is geen partij voor de grote spelers.
Politieke analyse Sartori
Bij de ontwikkeling van de typologie van partijstelsels begint Sartori in zijn standaardwerk Parties and Party Systemsi met de tweede invulling van het begrip partijcompetitie (strijd om de regeringsmacht), als hij inzicht wil verschaffen in het aantal voor een politiek stelsel relevante partijen. “The relevance of a party is a function not only of the relevant distribution of power as is obvious but also, and especially, of its position value, that is, of its positioning along the leftright dimension.” ii
De positie van de partij op de links rechts schaal kan van doorslaggevende betekenis zijn voor eventuele winst. Sartori realiseert zich wel dat alleen het bestaan van 2 van deze partijen niet van doorslaggevende betekenis is. Hij maakt dan ook het onderscheid tussen competitie als structuurkenmerk (de mogelijkheid van competitie) en competitiviteit als een bestaande toestand (feitelijk bestaande competitie) binnen die structuur.
“(C)ompetition includes competitiveness as a potentiality, competition is equal to, and can be defined as, potential competitiveness. conversely, competitiveness presupposes competition (as a structure and is something to be measured in outcome, on the basis of its effectiveness).”ii
In het laatste hoofdstuk van zijn boek komt Sartori wederom met het begrip competitie op de proppen, als hij schrijft over “spatial competition”. Nu gaat het echter om een geheel andere invulling van het begrip; in dit geval heeft het betrekking op de strijd om de kiezers binnen een zekere ideologische ruimte waarin kiezers en politieke partijen zich zouden bevinden.
“Competition presupposes a common ground on which two parties (at least) speak to the same voters. Parties that are supported by identified voters who are so tightly bound to the party that they virtually never switch their votes are ‘outofrunning’, i.e. they do not add to the competition between parties. There thus arises a distinction between the dimensional space that defines the ‘identifications’ with parties, and the space that defines the ‘competition’ between the parties.”iii
Recentelijk heeft Sartori, samen met Giacomo Sani dit laatste element verder uitgewerkt. Ze onderscheiden, als in het bovenstaande citaat, enerzijds een domein van identificatie een groep kiezers voelt zich verbonden met een bepaalde partij en anderzijds ruimte voor competitie een ruimte waarin de politieke partijen strijden om de wisselende kiezers. Aan deze laatste groep kiezers wordt van verschillende kanten getrokken. Zo komen ze tot de volgende omschrijving van
het begrip competitie: “(…) ‘competition’ is such only when parties take risks on the common ground in which they can best win or lose voters. In this argument there can be no competition beyond or without a shared market.”
In een 2 partijen stelsel is dit voor de hand liggend. Een meerpartijenstelsel is dit minder vanzelfsprekend, omdat er ook interactie ontstaat tussen de partijen op de flanken. Sani en Sartori wijzen erop, dat sommige structurele scheidslijnen in het bestaande stelsel meer “isolative” dan “conflictmaximizing” zijn. Ergens in het verleden heeft de structuur van
scheidslijnen (op basis van religie, sociale klasse, e.d.) gezorgd voor het ontstaan van een bepaald partijstelsel, waarbinnen groepen kiezers min of meer van elkaar geïsoleerde segmenten vormden.
Voor de Nederlandse situatie is dit duidelijk herkenbaar: katholieken, protestanten en socialisten vormden een dergelijk systeem. Binnen dit systeem kan de ‘strijd’ om de kiezers vooral defensief van karakter zijn, meer gericht op het voorkomen van verlies van de eigen aanhang dan op het winnen van kiezers die zich in een ander segment bevinden.8 In zo’n systeem vindt de strijd in de eerste plaats en voor het overgrote gedeelte binnen het domein van identificatie plaats en veel
minder in de ruimte voor competitie vele kiezers zijn ‘outof running’.
Ook in andere modellen wordt de determinatie van de kiezer aan een bepaalde partij of flank als belangrijke factor aangedragen. Als kiezers ‘vast’ zitten aan hun partij, dan weerspiegelt het stemgedrag de sociale verhoudingen binnen het land en niet de ‘vrije’ wil van de kiezer. Voor de sterke omslag van het politiek landschap in de jaren zestig en zeventig, waren vooral de
confessionelen erg sterk in een defensief aanpak. Vanaf de kansel werd de kiezer voorgehouden op welke partij men wel en welke vooral niet gestemd mocht worden. De verschuivingen waren toen ook minimaal.
……..
Filed under: Maatschappij | getagged: strategie, verkiezingen





