• Reacties

    Reacties zijn altijd welkom. Deze worden vooraf echter wel gemodereerd. Ik verwacht dat reacties inhoudelijk relevant zijn, respectvol jegens auteur, wederzijds begrip en ruimte geven aan verschillende opvattingen zonder dat dit aanzet tot enige vorm van haat of racisme. Elke discussie zal ik met open vizier tegemoet treden, maar behoud het recht om reacties te wijzigen of te verwijderen.
  • Kopenhagen

    Banner Kopenhagen Report
  • NederlandBekentKleur

  • Ubuntu 9.10 Karmic Koala is Here !!

    Ubuntu: For Desktops, Servers, Netbooks and in the cloud
  • Microsoft 7 Sins

    Windows 7 Sins

  • Reporters sans Frontiers

  • Planeet Groenlinks

    Blog mee! Planeet GroenLinks
  • Auteursrecht

    Common license
  • Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing. Je mag het onder voorwaarden kopiëren en hergebruiken.

Strategie en Verkiezingen

Competie en strijd
Of je nu kijkt op het militaire slagveld, zakelijke of politieke, er is sprake van enerzijds competitie en strijd. Competitie behelst het meedoen in het verkiezing circus. Selecteren en inschrijven van kandidaten en de bekende verkiezing tour doen. Debatten, folderen. ‘Strijd’ is echter een andere. Ook al kent Nederland een meerpartijenstelsel, niet alle partijen voeren werkelijk strijd met elkaar.
Als ik aan een marathon deelneem met de beste lopers, doe ik wel mee aan de competitie maar van enige strijd zal geen sprake zijn. Tegen de tijd dat ik over de finish kom, zijn de toplopers allang weer thuis.
In de politiek kan een soortgelijke strijd worden onderkend. CDA en PVDA voeren tegen elkaar een strijd om het centrum van de macht, waar een partij als de PVDD feitelijk geen rol speelt. De PVDD doet wel mee aan de competitie, maar is geen partij voor de grote spelers.

Politieke analyse Sartori

Bij de ontwikkeling van de typologie van partijstelsels begint Sartori in zijn standaardwerk Parties and   Party   Systemsi  met   de   tweede   invulling   van   het   begrip   partijcompetitie   (strijd   om   de regeringsmacht),   als   hij   inzicht   wil   verschaffen   in   het   aantal   voor   een   politiek   stelsel   relevante partijen. “The relevance of a party is a function not only of the relevant distribution of power ­ as is  obvious ­ but also, and especially, of its position value, that is, of its positioning along the left­right  dimension.” ii
De positie van de partij op de links­ rechts schaal kan van doorslaggevende betekenis zijn voor eventuele winst.  Sartori realiseert zich wel dat alleen het bestaan van 2 van deze partijen niet van doorslaggevende   betekenis   is.   Hij   maakt   dan   ook   het   onderscheid   tussen   competitie   als structuurkenmerk (de mogelijkheid van competitie) en competitiviteit als een bestaande toestand (feitelijk bestaande competitie) binnen die structuur.
“(C)ompetition   includes   competitiveness   as   a   potentiality,   competition   is   equal   to,   and   can   be defined as, potential competitiveness.  conversely, competitiveness presupposes competition (as a  structure and is something to be measured in outcome, on the basis of its effectiveness).”ii
In   het  laatste   hoofdstuk van zijn boek  komt Sartori  wederom  met  het  begrip  competitie  op   de proppen,   als   hij   schrijft   over   “spatial   competition”.   Nu   gaat   het   echter   om   een   geheel   andere invulling van het begrip; in dit geval heeft het betrekking op de strijd om de kiezers binnen een zekere ideologische ruimte waarin kiezers en politieke partijen zich zouden bevinden.
“Competition presupposes a common ground on which two parties (at least) speak to the same  voters. Parties that are supported by identified voters who are so tightly bound to the party that they  virtually   never   switch   their   votes   are   ‘out­of­running’,   i.e.   they   do   not   add   to   the   competition between parties. There thus arises a distinction between the dimensional space that defines the  ‘identifications’ with parties, and the space that defines the ‘competition’ between the parties.”iii
Recentelijk   heeft   Sartori,   samen   met   Giacomo   Sani   dit   laatste   element   verder   uitgewerkt.   Ze onderscheiden, als in het bovenstaande citaat, enerzijds een domein van identificatie ­ een groep kiezers voelt zich verbonden met een bepaalde partij ­ en anderzijds ruimte voor competitie een ruimte waarin de politieke partijen strijden om de wisselende kiezers. Aan deze laatste groep kiezers wordt van verschillende kanten getrokken. Zo komen ze tot de volgende omschrijving van
het begrip competitie: “(…) ‘competition’ is such only when parties take risks on the common ground in which they can  best win or lose voters. In this argument there can be no competition beyond or without a shared  market.”
In   een   2   partijen   stelsel   is   dit   voor   de   hand   liggend.   Een   meerpartijenstelsel   is   dit   minder vanzelfsprekend,   omdat   er   ook   interactie   ontstaat   tussen   de   partijen   op   de   flanken. Sani en Sartori wijzen erop, dat sommige structurele scheidslijnen in het bestaande stelsel meer “isolative”   dan   “conflict­maximizing”   zijn.   Ergens   in   het   verleden   heeft   de   structuur   van
scheidslijnen (op basis van religie, sociale klasse, e.d.) gezorgd voor het ontstaan van een bepaald partijstelsel, waarbinnen groepen kiezers min of meer van elkaar geïsoleerde segmenten vormden.

Voor de Nederlandse situatie is dit duidelijk herkenbaar: katholieken, protestanten en socialisten vormden een dergelijk systeem. Binnen dit systeem kan de ‘strijd’ om de kiezers vooral defensief van karakter zijn, meer gericht op het voorkomen van verlies van de eigen aanhang dan op het winnen van kiezers die zich in een ander segment bevinden.8 In zo’n systeem vindt de strijd in de eerste   plaats   en  voor  het  overgrote  gedeelte   binnen  het  domein   van  identificatie   plaats   en   veel
minder in de ruimte voor competitie ­ vele kiezers zijn ‘out­of­ running’.
Ook in andere modellen wordt de determinatie van de kiezer aan een bepaalde partij of flank als belangrijke   factor   aangedragen.   Als   kiezers   ‘vast’   zitten   aan   hun   partij,   dan   weerspiegelt   het stemgedrag de sociale verhoudingen binnen het land en niet de ‘vrije’ wil van de kiezer. Voor de sterke   omslag   van   het   politiek   landschap   in   de   jaren   zestig   en   zeventig,   waren   vooral   de
confessionelen erg sterk in een defensief aanpak. Vanaf de kansel werd de kiezer voorgehouden op welke partij men wel en welke vooral niet gestemd mocht worden. De verschuivingen waren toen ook minimaal.

……..

De volledige case is hier te downloaden [0,5 mb]

Reageer